stroomt uit Armenië, en is groot en diep en snel, en hij loopt uit in de Roode Zee.[1] De muur dus strekt aan weerszijden ellebogen naar den stroom uit; van dat punt buigen zij zich rechthoekig naar binnen en gaan langs iederen oever van de rivier als een dam van gebakken steenen. De stad, vol met huizen van drie en vier verdiepingen, is met rechte wegen doorsneden, zoowel de andere als de dwarsche die naar de rivier gaan. Aan iederen weg nu zijn in den dam daar langs de rivier poortjes, en zooveel straten er zijn, zooveel zijn ook die poortjes in getal. Deze waren ook van metaal, en strekten zich ook naar de rivier uit.
181. Deze muur dan is een pantser, en een andere muur loopt daar binnen, niet veel zwakker dan de eerste muur, maar smaller. In ieder van beide deelen der stad is in het midden opgericht, in het eene de koninklijke burcht met een groote en sterke ommuring, in het andere het metalenpoortige heiligdom van Zeus Belos, en dit bestond nog tot in mijn tijd, twee stadiën groot aan iedere zijde en vierkant. In het midden van het heiligdom is een stevige toren gebouwd, een stadium in lengte en in breedte, en op dien toren staat een andere toren, en daarop weder een andere, tot acht torens toe. En aan de buitenzijde is een trap gemaakt, die in een kring om alle torens gaat. In het midden van den trap is een rustplaats en zijn zetels om uit te rusten, waar de opstijgenden op gaan zitten om te rusten. In den laatsten toren is een groote tempel; in dezen tempel staat een groot, wel voorzien rustbed. Doch geen enkel godenbeeld is daar binnen opgericht, en geen der menschen brengt daar den nacht door, behalve alleen een vrouw
- ↑ d. i. Indische zee.