van het land, welke de God uit allen kiest, zooals de Chaldaeërs zeggen, die priesters van dien god zijn.
182. Want dezen beweren, voor mij niet geloofwaardig sprekende, dat de god zelf in den tempel komt en op het bed uitrust, evenals in Thebae in Egypte geschiedt, naar de Egyptenaars zeggen, (want ook daar slaapt een vrouw in den tempel van den thebaanschen god, en beiden worden gezegd met geen enkelen man zich te vereenigen) en evenals in Patara in Lycië de priesteres van den god, wanneer zij er is; want niet altijd is daar een orakel, doch indien het er is, dan wordt zij des nachts binnen in den tempel opgesloten.
183. In het babylonische heiligdom is beneden nog een andere tempel, waar een groot beeld is van den god, zittend en geheel van goud, en een groote gouden tafel staat daar bij, en zijn voetbank en zijn zetel zijn ook van goud. En naar de Chaldaeërs zeiden, is dit alles van achthonderd talenten goud gemaakt. Buiten den tempel is een gouden altaar. Er is nog een ander groot altaar, waar volwassen schapen worden geofferd; want op het gouden altaar mag niets geofferd worden behalve nog zuigende dieren alleen, maar op het grootere altaar verbranden de Chaldaeërs ieder jaar duizend talenten wierrook, wanneer zij het feest voor den god vieren. Er was in de heilige plaats ook in dien tijd nog een beeld van twaalf ellen, geheel van gedegen goud. Ik zag het zelf niet, maar wat door de Chaldaeërs gezegd wordt, dat zeg ik. Dit beeld had Darius, zoon van Hystaspes, in den zin weg te nemen doch hij durfde niet; Xerxes echter, de zoon van Darius, nam het weg, en doodde den priester, die hem verbood het beeld van zijn plaats te brengen. Zoo dan is de tempel versierd, en er zijn ook vele bijzondere wijgeschenken in.