184. Over dit Babylon waren vele en andere koningen, van welke ik in de Assyrische verhalen melding zal maken, die de muren versierden en de heiligdommen, en dan ook nog twee vrouwen. Zij die het eerste regeerde was vijf geslachtten vóór de latere, en van naam Semiramis; zij liet dammen in de vlakte opwerpen, die bezienswaard zijn; want vroeger placht de rivier de gansche vlakte tot zee te maken.
185. De tweede dan, die na haar koningin was, en Nitocris heette, deze nu, verstandiger dan de vroegere heerscheres, liet vooreerst gedenkteekenen na, die ik vermelden zal, en dan, ziende dat het rijk der Meden groot was en niet rustte, doch dat verscheiden steden door hen ver overd werden, waaronder ook Ninus, nam zij voorzorgen zooveel zij kon. Want vooreerst maakte zij de rivier Euphrates, die eerst recht liep en midden door haar stad stroomt, door bovenaan kanalen te graven, zoo krom van loop, dat zij driemaal in haar loop langs een van de dorpen in Assyrië komt. Het dorp, waar de Euphrates langs komt, heet Ardericca. Ook nu nog komen zij die van deze zee naar Babylon gaan en de Euphrates afvaren, driemaal in drie dagen bij hetzelfde dorp. Dit dan maakte zij zoo, en zij liet een dam opwerpen langs iederen oever van den stroom, waardig om gezien te worden, hoe groot en hoe hoog hij is. Ver boven Babylon groef zij een kom voor een meer uit, op geringen afstand van den stroom, en in diepte overal gravende tot aan het water, en zij maakte den omtrek vierhonderd en twintig stadiën, en de uitgegraven aarde liet zij langs de oevers van de rivier ophoopen; toen de uitgraving geeindigd was, liet zij steenen aanvoeren en een muur rondom het meer optrekken. Zij deed beide die dingen, de kromming der rivier en dat geheele uitgegravene meer, opdat de rivier