den dag echter, nadat zij aangekomen waren, toen bijna alles uitverkocht was, zeggen de Perzen, dat vele andere vrouwen naar de zee kwamen en ook dan de dochter des konings. En dat haar naam was, even als ook de Hellenen zeggen, Io, dochter van Inachus. Deze zouden, staande bij den achtersteven van het schip, van de waren gekocht hebben, waarin zij het meeste lust hadden, en de Phoeniciërs, elkander aansporende, waren hen overvallen. De meesten der vrouwen waren toen wel ontvlucht, doch Io zou met de anderen geroofd zijn geworden; de Phoeniciërs echter brachten hen op het schip en zeilden haastig naar Egypte.
2. Zoo zeggen de Perzen, dat Io naar Egypte is gekomen, niet zooals de Hellenen het zeggen, en dat dit het eerste begin van de vijandelijkheden geweest is. En daarna, dat sommige Hellenen (want zij kunnen den naam niet aangeven), te Tyrus in Phoenicië geland, Europa, de dochter des konings geroofd hebben. Maar dat zijn wellicht Creters geweest. Dat nu, zeggen zij, is hun gelijk om gelijk geschied, doch daarna zijn de Hellenen schuldig geworden aan de tweede beleediging, want zij zijn met een lang schip[1] naar het colchische Aea gezeild, en hebben toen, na volbrenging van het andere waarom zij gekomen waren, des konings dochter Medea geroofd. De koning der Colchiërs zou toen een gezant hebben gezonden naar Hellas en boete geëischt voor den roof en zijn dochter terug gevorderd hebben. Maar die in Hellas antwoordden, dat ook de anderen hun geen voldoening hadden gegeven voor den roof van Io de argeïsche; niet dus zouden zij ze aan genen geven.
3. In het tweede geslacht daarna, zeggen zij, dat
- ↑ Lang schip = oorlogschip.