Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/122

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

mede en volgen den koning, waarheen hij ook trekt.

189. Toen Cyrus op zijn tocht naar Babylon gekomen was bij de rivier Gyndes, wier bronnen in het Matiënische gebergte zijn, en die door de Dardaniërs heen stroomende in de rivier de Tigris valt, en deze weder langs de stad Opis vloeiende stort zich in de Roode Zee —, toen Cyrus de Gyndes, die men in schepen moet overvaren, wilde overtrekken, toen sprong een van de heilige witte paarden uit driestheid in den stroom en trachtte over te zwemmen, doch de stroom deed het verdwijnen in de diepte en sleurde het weg. Hevig was Cyrus vertoornd op den stroom, die dit misdreven had, en hij dreigde hem zoo zwak te maken, dat voortaan ook vrouwen hem gemakkelijk, zonder de kniën nat te maken, zouden doorwaden. En na die bedreiging liet hij af van den tocht tegen Babylon en verdeelde zijn leger in tweeën, en na deze verdeeling liet hij richtsnoeren spannen en honderdtachtig kanalen afpalen op iederen oever van de Gyndes, die in alle richtingen liepen; dan schaarde hij zijn leger en beval het te graven. Daar nu een groote menigte arbeidde, kwam het werk tot een eind, maar toch brachten zij den ganschen zomer daar met werken door.

190. Toen Cyrus zich op de Gyndes had gewroken en haar in driehonderd en zestig kanalen had gesplitst, en wederom de lente aanbrak, trok hij zoo naar Babylon. En de Babyloniërs trokken uit en wachtten hem op. Toen hij nu op zijn tocht dicht bij de stad was gekomen, geraakten zij met hem in gevecht en, overwonnen in den strijd, werden zij in de stad opgesloten. Daar zij echter reeds vroeger wisten, dat Cyrus niet stil zat, doch hem alle volken zagen aanvallen, hadden zij voor vele jaren levensmiddelen in de stad gebracht. Daarom bekommer-