Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/125

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

vier zelf op de akkers treedt, doch door bevochtiging met handen en schepwerktuigen. Want het gansche babylonische land, is evenals het egyptische, van kanalen doorsneden, en het grootste dier kanalen is bevaarbaar en loopt in de richting van de winterzon; het gaat van de Euphrates naar een andere rivier, naar de Tigris, waaraan de stad Ninus gebouwd was. Deze streek is van alle, die wij kennen, de beste om de vrucht van Demeter[1] voort te brengen. Want andere boomen tracht zij niet eenmaal te dragen, noch den vijgeboom, noch den wijnstok, noch den olijfboom. Doch om Demeters vrucht voort te brengen is zij zoo voortreffelijk, dat zij in 't gemeen tweehonderdvoudig geeft, doch als zij op het best voortbrengt, driehonderdvoudig opbrengt. De bladeren van de tarwe en de gerst worden daar licht vier vingers breed. Doch tot welke grootte de boom van de gierst en de sesam groeit, dat weet ik wel, maar zal het niet vermelden, wel wetende, dat voor hen, die niet in het babylonische land geweest zijn, ook wat over de vruchten gezegd is, ongelooflijk zal schijnen. Olie hebben zij niet, doch maken zoo iets uit de sesams. Er groeien over het gansche veld palmboomen bij hen, de meesten van dezen geven vruchten, waaruit zij spijs en wijn en honig bereiden; zij behandelen ze overigens even als de vijgeboomen, en van de palmen, die de Hellenen manlijk[2] noemen, van dezen binden zij de vruchten aan de dadelsdragende palmen, opdat de galwesp ze rijp make als hij in de dadel kruipt, en de vrucht van den palm niet afvalle; want de manlijke pal‬

  1. d. i. graan.
  2. d. i. onvruchtbaar.