Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/126

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

men hebben galwespen in de vrucht evenals de wilde vijgen.

194. Wat van alle dingen daar het meest bewonderenswaard is na de stad zelf, zal ik nu gaan verhalen. De vaartuigen, die zij hebben om langs de rivier naar Babylon te trekken, zijn rond van vorm en geheel van leder. Want nadat zij bij de Armeniërs, die boven de Assyriërs wonen, ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen, doch zij maken het vaartuig als een schild rond van vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan met waren beladen den stroom afgaan; zij voeren vooral palmhouten vaten naar beneden vol wijn. Het vaartuig wordt gestuurd met twee riemen en door twee mannen, die rechtop staan, en de een trekt zijn riem naar binnen, de ander duwt hem naar buiten. Deze vaartuigen worden zeer groot gemaakt, doch ook kleiner; de grootste van hen dragen een last van zelfs vijfduizend talenten. In ieder vaartuig is een levende ezel, maar in de grootere zijn er meer. Wanneer zij nu naar Babylon gevaren zijn en hun vracht uitgestald hebben, dan verkoopen zij terstond de ribben van het vaartuig en al het riet, laden de huiden op de ezels en trekken zoo naar de Armeniërs. Want den stroom op te varen is op geen wijze mogelijk door de snelheid van de rivier; want daarom ook maken zij de vaartuigen niet van hout, maar van huiden. Wanneer zij hun ezels weder naar de Armeniërs gedreven hebben, maken zij op de zelfde wijze andere vaartuigen. Zoo dan zijn hun vaartuigen.

195. Zij gebruiken de volgende kleedij: een linnen lijfrok die tot de voeten reikt, en boven dezen trekken zij een anderen lijfrok van wol aan en werpen er