een kleinen witten mantel om; zij hebben een eigenaardige voetbekleeding, veel gelijkend op het boeotische schoeisel. Zij laten het hoofdhaar groeien en binden er doeken omheen; ook zalven zij zich over het gansche lichaam. Een ieder heeft een zegelring en een met de hand bewerkten staf: op iederen staf is een appel gemaakt, of een roos, of een lelie of een adelaar, of iets anders; want het is bij hen geen zede een staf zonder zulk een teeken te hebben. Zoo dan is hun wijze van lichaamsversiering.
196. Hun gebruiken zijn de volgende; en het verstandigste volgens onze meening, dat ook de Veneters onder de Illyriërs hebben, naar ik verneem, was dit. In alle dorpen werd eenmaal in ieder jaar het volgende gedaan. Wanneer de maagden huwbaar geworden waren, brachten zij ze, om ze te verzamelen, op één plaats bij elkander, en om haar heen stond een schaar van mannen. Een heraut liet ze een voor een opstaan en bood ze te koop aan, eerst de schoonste van allen, daarna, als gene bij haar verkoop veel goud gewonnen had, riep hij een ander op, die na gene de schoonste was. Doch zij werden verkocht om te huwen. Zoovelen nu welgesteld waren van de babylonische trouwlustigen, dezenjoegen elkander op en kochten de schoonsten, doch die trouwlustig waren onder het lagere volk, dezen verlangden geenszins een fraai uiterlijk, doch ontvingen het geld met de leelijke maagden. Want als de heraut ten einde was met het verkoopen van de schoonste maagden, dan liet hij de leelijkste opstaan, of een die gebrekkig was, en die riep hij rond, wie voor het minste goud met haar wilde huwen, tot zij werd toegewezen aan hem die het minste verklaarde te willen ontvangen. Het goud kwam van de schoone maagden, en zoo dan huwlijkten de schoonen de leelijken en gebrekkigen uit. Het was niemand geoorloofd, zijn eigen