Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/132

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

deze vrouw zond Cyrus boden en wierf om haar in schijn, doch Tomyris, begrijpende dat hij niet naar haar dong, doch naar de heerschappij over de Massageten, wees zijn aanzoek af. Daarop rukte Cyrus, toen het hem met list niet gelukt was, naar de Araxes en ving openlijk den veldtocht tegen de Massageten aan, bruggen leggende over de rivier voor den overtocht van zijn leger, en torens bouwende op de schepen, die de rivier overstaken.

206. Terwijl hij met dit werk bezig was zond Tomyris hem een heraut en zeide het volgende: „O koning der Meden, houd op te jagen, wat gij jaagt; want gij kunt niet weten, of de volbrenging u van voordeel zal wezen. Houd op en heersch over het uwe, en verdraag het, ons ziende beheerschen wat wij beheerschen. Daar gij niet dezen raad zult willen volgen, doch alles liever doen dan in rust blijven, indien gij dan zoo hevig begeert met de Massageten te kampen, wel aan, laat af van de moeite, die gij hebt, de rivier overbruggend; wij zullen een weg van drie dagen van de rivier terugwijken en gij trekt over naar ons land. Indien gij liever ons in het uwe wilt ontvangen, doe gij dan dat zelfde." Na die boodschap riep Cyrus de eersten der Perzen bijeen, en toen hij hen verzameld had, legde hij hun de zaak voor, om met hen te beraadslagen, wat hij doen zou. En hun meeningen liepen uit op het zelfde, daar zij rieden Tomyris en haar leger in zijn land af te wachten.

207. Cresus de Lydiër echter was er bij, en die meening afkeurend, openbaarde hij een meening tegenovergesteld aan de aangebodene, zeggende: „O koning, vroeger reeds heb ik gezegd, dat, nu Zeus mij aan u gegeven heeft, waar ik een onheil voor uw huis zie, ik het naar mijn kracht zal afwenden. Mij is mijn ramp een smartelijke leering geweest. Indien gij onsterflijk