7. De heerschappij, eerst in bezit van de Heracliden, ging op de volgende wijze op het geslacht van Cresus over, dat der Mermnaden geheeten. Candaules, dien de Hellenen Myrsilus noemen, was heerscher van Sardes, en een afstammeling van Alcaeus, zoon van Heracles. Want Agron, de zoon van Ninus, dien van Belus, dien van Alcaeus, was de eerste der Heracliden, die heerschte over Sardes, en Candaules, die van Myrsus, de laatste. Die vóór Agron over dat land regeerden, waren afstammelingen van Lydus, zoon van Atys, naar wien het gansche volk het Lydische genoemd werd, vroeger het Maeonische geheeten. Door dezen met de heerschappij begiftigd, behielden de Heracliden ze door een godspraak, als zijnde ontsproten uit een slavin van Iardanos en Heracles, en heerschten gedurende twee en twintig menschengeslachten, vijfhonderd en vijf jaren, overleverende de heerschappij van vader aan zoon, tot aan Candaules, zoon yan Myrsus.
8. Deze Candaules nu was verliefd op zijn vrouw, en in zijn verliefdheid meende hij verreweg de schoonste vrouw van alle te hebben. Zoodat Candaules dit geloovende, — van zijn lansdragers toch was Gyges, zoon van Dascylus, het meest bij hem in gunst, — aan dezen Gyges dan de belangrijkste zaken toevertrouwde en ook boven mate de schoonheid van zijn vrouw prees. Niet veel tijd later — want het moest Candaules slecht vergaan — sprak hij tot Gyges aldus: "Gyges, — want gij schijnt mij niet te gelooven als ik over de schoonheid van mijn vrouw spreek, want de ooren der menschen zijn nu eenmaal ongelooviger dan de oogen — maak, dat gij haar naakt ziet." Doch gene riep luid, zeggende: heer, welk woord spreekt gij daar gansch niet gezond, en beveelt mij mijn meesteresse naakt te aanschouwen!