iederen nacht. En nog voor andere dingen moeten zij zorgen, ontelbaar veel, om het met één woord te zeggen. Doch zij hebben geen geringe voordeelen, want zij verteeren niets van hun eigen vermogen noch geven iets uit, doch heilige spijs wordt voor hen gekookt, en een menigte vleesch van runderen en ganzen ontvangt ieder elken dag, en ook wijn van den druif wordt hun verstrekt, doch visch mogen zij niet eten. Boonen zaaien de Egyptenaars in 't geheel niet in hun land; die er groeien eten zij noch rauw noch gekookt, maar de priesters durven ze niet eenmaal aanzien, meenende dat de peulvrucht onrein is. Iedere god heeft niet één priester doch vele, waarvan er een de opperpriester is; sterft er een, dan komt zijn zoon in zijn plaats.
38. De stieren houden zij voor gewijd aan Epaphus[1], en daarom onderzoeken zij ze aldus: indien de priester ook maar één zwart haar op hem vindt, keurt hij hem onrein. Dit onderzoekt een der priesters, daartoe aangesteld, zoowel terwijl het dier rechtop staat als achterover ligt; ook trekt hij de tong naar buiten, om te zien of zij rein is in de voorgeschreven teekens, die ik op een andere plaats zal aangeven. Hij beziet ook de haren van den staart, of zij wel zijn zooals de natuur wil. Als het dier in al die dingen rein is, teekent hij het door een stuk byblus, dat hij om de hoorns windt, dan strooit hij daar zegelaarde op en drukt zijn ring daarin af; en zoo brengen zij het dier weg. Op het offeren van een niet zoo geteekenden stier is de dood gesteld. Het dier wordt dan op zulk een wijze gekeurd, en de offering geschiedt aldus bij hen:
39. Zij brengen het geteekende dier bij het altaar,
- ↑ Epaphus is de Grieksche naam voor den heiligen stier Apis.