der barbaren van wie wij dat weten, wijgeschenken naar Delphi, na Midas, Gordias' zoon, den koning van Phrygië. Want Midas wijdde den koninklijken zetel, op welken hij zat als hij recht sprak, een bezienswaardig werk; deze zetel staat, waar ook de mengvaten van Gyges zijn. Dit goud nu en het zilver, dat Gyges gewijd heeft, wordt door de Delphiërs het Gygadische genoemd, naar des schenkers naam. Dezelfde nu maakte ook, toen hij heerscher was geworden, een veldtocht tegen Miletus en tegen Smyrna, en veroverde de benedenstad van Colophon. Maar wijl geen andere belangrijke daad nog van hem kwam terwijl hij achtendertig jaren regeerde, willen wij hem laten varen, deze dingen van hem gezegd hebbend.
15. Van Ardys, Gyges' zoon, die na Gyges koning was, zal ik evenwel melding maken. Deze nam Priëne in en viel ook in Miletus, en terwijl hij regeerde te Sardes, kwamen de Cimmeriërs uit hun woonplaatsen door de scythische nomaden verdreven, in Azië[1] en veroverden Sardes behalve den burcht.
16. Op Ardys, die negenenveertig jaar geregeerd had, volgde Sadyattes, de zoon van Ardys, en regeerde twaalf jaren, en op Sadyattes Alyattes. Deze beoorloogde Cyaxares, den afstammeling van Deioces, en de Meden; de Cimmeriërs verdreef hij uit Azië, en Smyrna, dat van Colophon uit gesticht was, veroverde hij en hij viel in Clazomenae. Van deze plaats trok hij terug, niet zooals hij wilde, doch belangrijk geslagen. Als andere zeer meldenswaarde daden heeft hij in zijn regeering de volgende volbracht.
17. Hij beoorloogde de Milesiërs, den krijg van zijn vader overnemende; want bij zijn inval belegerde hij
- ↑ Klein Azië.