Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/20

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Miletus op de volgende wijze: wanneer in het veld de vrucht rijp was, dan liet hij zijn leger een inval doen, en het trok op onder het geluid van pijpen en harpen en ook van manlijke en vrouwlijke fluiten[1]. Wanneer hij nu in Milesië gekomen was, vernielde hij geen enkel huis op de velden, noch verbrande hij ze, noch brak hij er de deuren uit, doch liet alles op zijn plaats staan; doch de boomen en de vruchten op het land, wanneer hij die verwoest had, dan trok hij weder terug. Want over de zee waren de Milesiërs heer, zoodat een belegering van geen nut was voor het leger. De huizen verwoestte de Lydiër daarom niet, opdat de Milesiërs van dezen uit zouden kunnen gaan om het land te bezaaien en te bebouwen, en hij zelf, als genen het bebouwd hadden, iets had om bij zijn inval te verwoesten.

18. Zoo handelende voerde hij den oorlog elf jaren, waarin twee malen een groote nederlaag van de Milesiërs voorviel; de eene toen zij streden bij Limeneum in hun eigen gebied, de andere in de vlakte van den Maeander. Zes jaren nu van de elf heerschte nog Sadyattes Ardys' zoon over de Lydiërs, die ook in dien tijd tochten tegen Milesië maakte (want deze was het ook, die den oorlog aangevangen had), maar de vijf jaren volgende op die zes streed Alyattes, zoon van Sadyattes, die, zooals ik te voren reeds gemeld heb, van zijn vader den oorlog overnemende, hem met grooten ijver voerde. Den Milesiërs hielp niemand der Ioniërs dezen oorlog dragen, behalve de Chiërs alleen. En dezen stonden bij, gelijk met gelijk vergeldende, want vroeger toch hadden de Milesiërs de Chiërs in den oorlog tegen de Erythraëers ondersteund.

  1. Fluiten met lage en met hooge tonen.