19. In het twaalfde jaar, toen het koorn door het leger in brand was gestoken, geviel de volgende zaak te geschieden: zoodra het koorn ontvlamd was, greep het brandende gewas door den wind gedreven den tempel aan van Athene, bij genaamd de Assesische, en de tempel, aangegrepen zijnde, brandde af. En op dat oogenblik lette niemand er op, doch toen het leger in Sardes was gekomen, werd Alyattes ziek. En toen zijn ziekte lang duurde, zond hij boden naar Delphi om het orakel te raadplegen, hetzij op iemands aanraden, hetzij het hem zelf goed gedacht had boden te zenden en den god over zijn ziekte te ondervragen. Doch hun, toen zij in Delphi gekomen waren, weigerde de Pythia te antwoorden, voor zij den tempel van Athena weder hadden opgericht, dien zij verbrand hadden te Assesus in het milesische gebied.
20. Zoo weet ik dat het geschied is, van de Delphiërs het vernemende, maar de Milesiërs voegen er nog het volgende aan toe, dat Periander, zoon van Cypselus, zeer nauw bevriend met Thrasybulus, toen heerscher van Miletus, gehoord hebbend van het aan Alyattes verstrekte antwoord, een bode aan Thrasybulus zond om het hem te melden, opdat hij het vooruit wetende naar den stand der zaak zou kunnen overleggen. De Milesiërs dan zeggen, dat het zoo geschied is.
21. En Alyattes, toen hem dat overgebracht was geworden, zond terstond een heraut naar Miletus, voornemens om met Thrasybulus en de Milesiërs vrede te sluiten voor zooveel tijd, als hij den tempel bouwen zou. De gezondene dan ging naar Miletus. Maar Thrasybulus, die de gansche zaak van te voren nauwkeurig vernomen had en begreep wat Alyattes doen zou, verzon het volgende: zooveel graan er in de stad was, en van hem zelven en van iederen burger, dat alles liet hij op den