27. Nadat hij nu de Hellenen in Azië onderworpen had tot opbrengst van een schatting, vatte hij vervolgens het plan op schepen te bouwen, om de eilandbewoners aan te vallen. Toen echter alles gereed was tot het bouwen van schepen, zeggen sommigen, dat Bias van Priëne, anderen dat Pittacus van Mytilene, te Sardes gekomen, toen Cresus vroeg of er iets nieuws was in Hellas, hem met de volgende woorden van het schepenbouwen afgebracht heeft: "O koning, de eilanders werven een tallooze ruiterij aan, voornemens tegen Sardes en u op te trekken." En Cresus in de meening, dat hij de waarheid sprak, zeide: "Mochten de goden den eilanders dat in den geest brengen, met ruiters tegen de zonen der Lydiërs op te trekken." De ander echter ving hem op en zeide: "O koning, vurig schijnt ge mij toe te wenschen, dat ge de eilanders met de ruiterij op het vaste land aantreffen moogt, verwachtende wat wel geschieden zal; doch de eilanders, wat meent ge dat zij anders wenschen, zoodra zij gehoord hebben, dat gij schepen tegen hen bouwen wilt, dan de Lydiërs op zee te vinden, dat zij wraak nemen voor de Hellenen op het vaste land, die gij in slavernij houdt?" Cresus verheugde zich zeer over deze laatste woorden, en door hen overtuigd (want hij kwam hem voor ter zake gesproken te hebben) onthield hij zich van het schepenbouwen. En zoo sloot hij met de op de eilanden wonende Ioniërs een verbond.
28. Na verloop van tijd en toen bijna al de binnen de rivier Halys wonenden onderworpen waren, — want behalve de Ciliciërs en de Lyciërs had Cresus de andere allen onder zijn macht gebracht; [en deze zijn de Lydiërs, de Phrygiërs, de Mysiërs, de Mariandyners, de Chalybers, de Paphlagoniërs, de Thraciërs, zoowel de Thynische als