stad Cadytis behoort het land aan de Syriërs, die de Palaestiners[1] heeten. Van de stad Cadytis, die, naar mij dunkt, niet veel kleiner is dan Sardis, van deze stad af zijn de handelsplaatsen aan de zee tot aan de stad Iënysus van den arabischen koning; doch van Iënysus af is het land wederom van de Syriërs tot aan het Serbonische meer, waarlangs zich het Casische gebergte naar de zee uitstrekt; en van het serbonische meer, waarin volgens het verhaal dan Typhon verborgen ligt, van daar eerst is het Egypte. Maar wat nu gelegen is tusschen de stad Iënysus en het Casische gebergte en het Serbonische meer, en dat is geen geringe streek lands, doch ongeveer drie dagen lang, dat is vreeselijk waterloos.
6. Wat nu weinigen van de op Egypte varenden hebben opgemerkt, dat zal ik gaan verhalen. Uit gansch Hellas en bovendien uit Phenicië wordt aarden vaatwerk naar Egypte ingevoerd vol wijn, tweemaal in ieder jaar, en geen enkel ledig wijnvat, om zoo te zeggen, kan men daar zien liggen. Waarvoor dan, zal iemand vragen, worden die gebruikt? Ook dat zal ik verhalen. Iedere overheidspersoon moet uit zijn eigen stad alle vaatwerk verzamelen en naar Memphis sturen: die in Memphis dan sturen het vandaar vol water naar de woestijn van Syrië. Zoo wordt het aardewerk, dat in Egypte komt en geledigd wordt, naar het oude in Syrië gezonden.
7. Zoo dan hebben nu de Perzen den toegang naar Egypte ingericht, op de gezegde wijze die streek met water voorziende, zoodra zij Egypte veroverd hadden. Maar toen, daar er geen water voorhanden was, zond Cambyses, na inlichting van den halicarnassischen vreemdeling, boden naar den Arabier en verkreeg op zijn
- ↑ = de Philistijnen.