Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/257

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en zoo dan troffen zij samen. Na een heftig gevecht, waarin velen in getal van beide legers vielen, wendden zich de Egyptenaars op de vlucht.

12. Een groot wonder zag ik daar, dat ik eerst van de menschen des land vernam: want terwijl de beenderen van de aan beide zijden in dien strijd gevallenen gescheiden van elkander opgestapeld zijn, — want de beenderen van de Perzen liggen afgezonderd, zooals zij terstond afgezonderd werden, en op een andere plaats die der Egyptenaars —, zijn de schedels van de Perzen zóó zwak, dat, als ge ze met één steentje treft, ge ze doorboren zult, doch die van de Egyptenaars zoo sterk, dat met een grooten steen ze beukend gij ze met moeite verbrijzelen zult. De reden daarvan is, zeiden zij, en zij overtuigden mij licht, dat de Egyptenaars terstond van kind af zich het hoofd scheren, en het been in de zon hard wordt. Datzelfde is ook de oorzaak van het niet kaal worden: want van alle menschen zal men bij de Egyptenaars de minste kaalhoofdigen vinden. Dat nu is voor hen de oorzaak, dat zij zulke sterke schedels hebben, doch voor de Perzen, dat zij zwakke schedels hebben, is de oorzaak deze: zij verweeken het hoofd, daar zij van jongs af vilten tiara's dragen. Dit nu zag ik zoo. En ik zag ook andere gelijke dingen in Papremis, bij hen die met Achaemenes, den zoon van Darius, door Inarus, den Libyer, verslagen werden.

13. Toen de Egyptenaars zich uit den strijd omwendden, vluchtten zij zonder eenige orde. En als zij in Memphis opgesloten waren, zond Cambyses een mytilenaeïsch schip den stroom op, met een perzisch man als heraut, die de Egyptenaars tot een vergelijk uitnoodigen zou. Doch dezen, toen zij het schip in Memphis komen zagen, stortten zich in grooten getale uit de