Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/259

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

betalen voor de Mytilenaeërs, die in Memphis met het schip waren omgekomen: want dit hadden des konings rechters als vonnis gegeven, dat voor iederen man tien van de eerste Egyptenaars zouden sterven. En gene zag hen voorbijgaan en aanschouwde zijn zoon ter dood gevoerd wordende, en terwijl de andere bij hem gezeten Egyptenaars weenden en luid jammerden, deed hij hetzelfde als bij zijn dochter. Toen ook dezen waren voorbijgetrokken, geviel het dat een van zijn drinkgenooten, een oud man, die al zijn vermogen verloren had en niets meer bezat, dan wat een bedelaar heeft, de soldaten om een gift smeekte en langs Psammenitus, den zoon van Amasis, kwam en de Egyptenaars, die in de voorstad zaten. Toen Psammenitus dit zag, klaagde hij luid, en zijn vriend bij den naam noemende, sloeg hij zich het hoofd. Doch er waren verspieders bij hem, die alles wat hij deed bij iederen voorbijgang aan Cambyses meldden. En Cambyses, in verbazing over het gebeurde, zond een bode en vroeg hem, zeggende: „Uw meester Cambyses. Psammenitus, vraagt u, waarom gij uw dochter gesmaad en uw zoon ter dood schrijdende zaagt, en niet jammerdet, noch weendet, doch den bedelaar, die u niets aangaat, naar hij van anderen verneemt, zoo geëerd hebt?" Hij nu vroeg deze dingen, doch gene antwoordde: „O zoon van Cyrus, mijn eigen rampen waren te groot om ze te beweenen, doch het ongeluk van mijn vriend is tranen waard, daar hij toch vallende uit vele en groote schatten tot bedelen gekomen is op den drempel der grijsheid." En toen dit door den bode overgebracht was, scheen het Cambyses schoon gezegd te zijn; en zooals de Egyptenaars verhalen, weende Cresus (want ook deze had Cambyses naar Egypte gevolgd) en de aanwezige Perzen weenden, en ook Cambyses