Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/262

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

macht te zenden, tegen de Ammoniërs een keur van zijn voetvolk, doch naar de Ethiopiërs eerst verspieders, welke bij die Ethiopiërs de volgens de berichten aanwezige zonnetafel zouden zien, of die werkelijk daar is, en daarbij ook het andere bespieden zouden, in naam geschenken aan den koning brengend.

18. De zonnetafel nu wordt gezegd zóó te zijn: in de voorstad is een weide vol gekookt vleesch van alle viervoeters, waarop des nachts de dan regeerende overheden der stad, het vleesch zorgvuldig neerleggen, terwijl over dag ieder, die wil, komen kan en spijzen: de menschen van het land zeggen, dat de aarde dat telkens voortbrengt. Die dusgeheeten zonnetafel zou dus zoo zijn.

19. Toen Cambyses nu besloten had de verspieders te zenden, liet hij terstond uit de stad Elephantine Ichthyophagische mannen komen, die de ethiopische taal'verstonden. Terwijl men dezen haalde, in dien tijd beval hij zijn zeemacht naar Carthago te varen. Doch de Pheniciërs weigerden dat te doen; want door groote eeden waren zij gebonden, en zij zouden doen, wat onvroom is, tegen hun eigen zonen optrekkende. En toen de Pheniciërs niet wilden, waren de anderen niet sterk genoeg voor den strijd. De Carthagers dan ontgingen zoo de slavernij door de Perzen. Want Cambyses achtte het niet goed den Phoeniciërs geweld aan te doen, daar zij zich aan de Perzen gegeven hadden en geheel de zeemacht van de Phoeniciërs afhing. Ook de Cypriërs hadden zich aan de Perzen gegeven en waren tegen Egypte opgetrokken.

20. Toen de Ichthyophagen uit Elephantine bij Cambyses gekomen waren, zond hij hen naar de Ethiopiërs, en beval hen, wat zij moesten zeggen, als geschenken medenemende een purperen gewaad en een gouden halsketen, en armbanden, en een albasten vat met zalf en een