Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/263

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

vat palmwijn. Deze Ethiopiërs, tot welke Cambyses boden zond, worden gezegd de grootste en de schoonste van alle menschen te wezen. Zij leven ook in de andere wetten, zegt men, gansch anders dan de andere menschap, en dan ook in het koningschap onder de volgende: wien zij van de burgers den grootsten achten, en in kracht naar die grootte, dien kiezen zij tot koning.

21. Toen de Ichthyophagen dan tot deze mannen waren gekomen, gaven zij hun geschenken aan den koning en zeiden het volgende: „de koning der Perzen. Cambyses, vriend en gast van u willende worden, heeft ons gezonden, bevelend tot u te spreken, en hij schenkt u deze geschenken, in wier bezit ook hij zelf zich het meest verheugt." Doch de Ethiopiër, begrijpende, dat zij als verspieders kwamen, zeide tot hen het volgende: „Noch heeft de koning der Perzen u als dragers van geschenken gezonden, uit groot verlangen mijn gast te worden, noch spreekt gij de waarheid (want als verspieders van mijn rijk komt gij), noch is hij een rechtvaardig man: want ware hij rechtvaardig, niet zou hij een ander land begeeren dan het zijne, noch menschen tot slavernij willen brengen, door wien hem niets kwaads is aangedaan. Nu echter, geeft hem dezen boog en zegt hem het volgende: de koning der Ethiopiërs raadt den koning der Perzen, wanneer de Perzen zóó gemaklijk bogen spannen van zulke grootte, dan met overmacht van volk tegen de langlevende Ethiopiërs op te trekken; doch tot zoolang den goden dank te weten, die het den zonen der Ethiopiërs niet in den geest brengen ander land bij het hunne te willen verwerven."

22. Dit zeggende en den boog spannende, gaf hij hem aan de gekomenen over. En hij nam het gewaad, het purperen, en vroeg wat het was, en hoe gemaakt. En