stad Oasis[1], bewoond door Samiërs, die van den Aeschrionischen stam zouden zijn, en een zevendaagschen weg door de woestijn van Thebe af wonen; deze streek heet in de Helleensche taal Makaroon Nêsos[2]. In deze streek moet, naar gezegd wordt, het leger gekomen zijn, doch daarna weet niemand, behalve de Ammoniërs zelven en die het van dezen hoorden, iets over hen te zeggen: want noch bereikten zij de Ammoniërs, noch keerden zij terug. Het volgende echter wordt ook door de Ammoniërs zelf gezegd: nadat genen uit dat Oasis door de woestijn tegen hen opgetrokken waren, kwamen zij ergens ongeveer midden in tusschen de Ammoniërs en Oasis, en daar zij aan het ontbijt waren, woei een groote en ongewone zuidewind tegen hen aan, aandragend golven van zand, en bedolf hen, en op zulk een wijze verdwenen zij. Zoo nu zeggen de Ammoniërs, dat het met dat leger is gegaan.
27. Toen Cambyses in Memphis was gekomen, verscheen Apis aan de Egyptenaars, dien de Hellenen Epaphus noemen, en bij zijn verschijning droegen de Egypte naars terstond de schoonste kleederen en leefden in feesten. Cambyses zag de Egyptenaars dat doen, en in de vaste meening dat zij dit feest vierden over zijn onheil, riep hij de overheid van Memphis, en toen zij voor zijn aangezicht waren gekomen, vroeg hij, waarom vroeger, toen hij in Memphis was, de Egyptenaars niets van dien aard deden, en nu wel, daar hij er was na verlies van een groot deel van zijn leger. Zij antwoordden, dat de god hun verschenen was, zooals hij hun na een lang tijdsverloop placht te verschijnen, en wanneer hij kwam, dan verheugden zich alle Egyptenaars en vierden feest. Cambyses