Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/268

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dit hoorende, zeide dat zij logen, en als leugenaars strafte hij hen met den dood.

28. Toen hij dezen gedood had, riep hij vervolgens de priesters voor zijn aangezicht, en toen de priesters het zelfde zeiden, antwoordde hij, dat hij spoedig zou weten of er een tamme god tot de Egyptenaars was gekomen. Dat zeggende beval hij de priesters den Apis tot hem te brengen. En zij gingen om genen te brengen. De Apis, deze Epaphus, komt ter wereld als het kalf van een koe, die niet meer in staat is een andere vrucht in het lijf te ontvangen. De Egyptenaars zeggen, dat een straal uit den hemel de koe treft, en zij daardoor Apis baart. Dit kalf nu, het Apis geheetene, heeft de volgende teekenen: het is zwart, en op het voorhoofd heeft het een witten driehoekigen vlek, doch op den rug het beeld van een adelaar; aan den staart heeft het dubbele haren en op de tong een kever.

29. Toen de priesters den Apis gebracht hadden, trok Cambyses, daar hij toch reeds eenigszins dol was, zijn dolk, en den Apis in den buik willende treffen, trof hij hem in de heup. En lachend sprak hij tot de priesters: „o ellendige schepsels, zijn de goden dan zóó, van bloed en van vleesch, en luisterend naar het ijzer? Voorwaar, deze god is de Egyptenaars waardig. Doch gij zult mij niet ongestraft bespotten." En na deze woorden beval hij de daarmee belasten de priesters te geeselen, en wien van de andere Egyptenaars zij aan het feestvieren zouden vinden, dien te dooden. Het feest der Egyptenaars werd dan zoo afgebroken, de priesters ondergingen den straf, en de Apis, in de heup getroffen, stierf weg, liggende in den tempel. En toen hij aan de wond gestorven was, begroeven de priesters hem buiten weten van Cambyses.