doch met de waarheid te rade gaande, zeide: "O koning, Tellus, den Athener." In verbazing over dit woord vroeg Cresus haastig: "Waarom dan acht gij Tellus den gelukkigste?" En gene zeide: "Tellus gewerden vooreerst, bij den bloei zijner stad, brave en dappere kinderen, en uit hen allen zag hij kinderen geboren worden, en die allen in het leven blijven, en ten tweede viel hem, nadat hij in welvaart had geleefd naar onze meening, het schitterendste eind van het leven ten deel; want toen de Atheners met hun naburen bij Eleusis in strijd waren geraakt, kwam hij te hulp, en hij dreef de vijanden op de vlucht en stierf op het schoonst, en hem begroeven de Atheners van staatswege, waar hij gevallen was, en eerden hem grootelijks."
31. Toen nu Solon de dingen van Tellus, de schoone en gelukkige, gezegd had en Cresus geprikkeld, vroeg deze, welken tweeden gelukkige hij na dien gezien had, meenende zeker den tweeden prijs althans te zullen krijgen. Doch hij zeide: "Kleobis en Biton. Want dezen, Argiven van geboorte, hadden genoeg vermogen en daarbij een zoodanige kracht des lichaams: prijswinners in den wedkamp waren beiden gelijkelijk, en zelfs wordt ook dit verhaal gezegd: toen er feest was voor Hera bij de Argiven moest hun moeder noodwendig in een wagen naar den tempel gebracht worden, doch de ossen waren niet op tijd uit het veld gekomen; gedrongen door den tijd trokken de jongelingen zelf den wagen, het juk op zich leggend, en op den wagen reed hun moeder, en vijf en veertig stadiën[1] trokken zij haar, en bereikten den tempel. Nadat zij deze daad ten aanschouwe van de verzamelde menigte
- ↑ Ruim twee uren gaan.