Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/277

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

en schoone visch ving, besloot die aan Polycrates ten geschenke te geven, en hij droeg ze naar het paleis, en zeide voor Polycrates' aangezicht te willen komen, en toen hem dit was gelukt, gaf hij de visch, en zeide „o koning, ik ving deze visch en wilde hem niet naar de markt brengen, hoewel ik leef van mijn handen; doch zij scheen mij u en uw heerschappij waardig te zijn; aan u daarom breng ik en geef ik ze." En gene in blijdschap over het gezegde antwoordde aldus: „zéér goed hebt gij gedaan en dubbel is mijn dank en voor uw woorden èn voor uw geschenk; en wij noodigen u ten maaltijd. " De visscher nu schatte dit hoog en ging naar huis, doch de dienaren de visch opensnijdende, vonden in haar buik den zegelsteen van Polycrates. Zoodra zij dien gezien en genomen hadden, brachten zij hem vol vreugde naar Polycrates, en gaven hem den zegelsteen, en verhaalden op welke wijze hij gevonden was. En daar hem de zaak als een goddelijke beschikking voorkwam, schreef hij in een brief alles wat hij gedaan had en wat hem overkomen was, en na het schrijven zond hij den brief naar Egypte.

43. Amasis nu las den brief, die van Polycrates kwam, en zag in, dat het een mensch onmogelijk is een mensch van het komende lot te redden, en dat Polycrates niet goed ten einde zou komen, daar hij in alles voorspoed had, en zelfs terugvond, wat hij had weggeworpen. En hij zond een heraut naar Samos en zeide, dat hij de gastvriendschap verbrak. Dit deed hij daarom, opdat niet, indien vreeselijk en groot onheil Polycrates aangreep, hij zelf zijn ziel zou bedroeven over een gastvriend.

44. Tegen dezen Polycrates dan, den in alles voorspoedigen, trokken de Lacedaemoniërs ten strijde[1], geroepen door de Samiërs, die naderhand Cydonia op Creta ge-

  1. Waarschijnlijk in 525 voor Chr.