46. Toen de Samiërs, door Polycrates verdreven, in Sparta gekomen waren, traden zij voor de overheden en spraken veel, sterk smeekende. Dezen antwoordden hun bij hun eerste optreden, dat zij de eerste woorden vergeten waren, de laatsten niet begrepen. Daarop, voor de tweede maal gekomen, zeiden genen anders niets, doch een broodzak brachten zij mede en verklaarden: „de zak verlangt meel." En de overheden antwoordden, dat het aankomen met dien zak slecht gevonden was, maar toch besloten zij genen te helpen.
47. En daarna rustten de Lacedaemoniërs zich toe en trokken op tegen Samos, naar de Samiërs beweren, om de dienst te vergelden, dat zij zelf genen vroeger met schepen tegen de Messeniërs gesteund hadden; doch naar de Lacedaemoniërs zeggen, trokken zij op, niet zoozeer om de Samiërs op hun verzoek te helpen, doch om zich te wreken over den roof van het mengvat, dat zij aan Cresus hadden willen brengen,[1] en over het pantser, dat Amasis, de koning van Egypte, hun ten geschenke had gezonden. Want ook dat pantser hadden de Samiërs een jaar vroeger dan het mengvat geroofd; van lijnwaad was het, met vele ingeweven beelden, en met goudenen en boomwollen inslagen versierd. Doch waarom het waard is bewonderd te worden, dat maakt iedere draad van het pantser; want hij is fijn en heeft in zich driehonderd en zestig draden, en die allen zichtbaar. Er is nog zulk een pantser, en dat wijdde Amasis in Lindus aan Athenaia.
48. Aan den tocht tegen Samos, zoodat hij tot stand, kwam, namen ook de Corinthiërs bereidwillig deel. Want ook aan dezen was door de Samiërs een beleediging overkomen in het geslacht vóór dezen krijgstocht, in denzelfden tijd
- ↑ Vergel. I. 71.