het volgende onheil hem bij het reeds bestaande te overkomen. Uit Melissa had hij twee zonen, in leeftijd den een zeventien, den ander achttien jaren oud. Dezen liet hun moeders vader Procles, alleenheerscher van Epidaurus, bij zich komen, en hij behandelde hen vriendelijk, zooals natuurlijk was, daar zij de zoons waren van zijn dochter. Toen hij hen weder weg zond, zeide hij, bij het uitgeleide: „ weet gij wel, knapen, wie uw moeder gedood heeft?" Op dit woord sloeg de oudste van hen gansch geen acht, doch de jongste. Lycophron van naam, had zulk een smart dit hoorende, dat hij in Corinthe gekomen zijn vader, den moordenaar immers van zijn moeder, noch toesprak, noch als hij aangesproken werd, antwoordde, noch op zijn vragen een woord gaf. Eindelijk dreef Periander, vol toorn, hem zijn huis uit.
51. En na diens verdrijving, vroeg hij den oudsten, wat hun moeders vader hun gezegd had. Gene verhaalde, dat hij hen vriendelijk had ontvangen; doch dat woord, dat Procles hun bij het wegzenden gezegd had, daar hij het niet had opgelet, dat herinnerde hij zich niet. Doch Periander beweerde, het kon niet anders of gene had hun iets ingeblazen, en hij zette zijn vragen voort; en de ander bracht het zich te binnen en zeide ook dat. Periander overwoog het, en geen zwakte willende toonen —, waar de door hem verdreven zoon zich ophield, tot die menschen zond hij een bode en beval hen genen niet in hun huis op te nemen. En gene dan, als hij verdreven was en naar een ander huis ging, werd ook van daar weder verjaagd, daar Periander de ontvangenden dreigde en beval genen uit te sluiten; en hij, verdreven, ging naar een ander huis van zijn vrienden, want dezen, daar hij toch de zoon was van Periander, ontvingen hem toch, hoewel met vreeze.