Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/283

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

53. Toen echter bij het voortschrijden van den tijd Periander oud begon te worden en gevoelde, dat hij niet meer bij machte was zijn zaken te overzien en te besturen, zond hij naar Cercyra en riep Lycophron tot de heerschappij; want in den oudsten van zijn zoons zag hij dat niet, doch die scheen hem zwak in verstand. Doch Lycophron keurde den brenger van de boodschap zelfs geen antwoord waardig. En Periander, zeer hangend aan den jongeling, zond wederom tot genen, nu diens zuster, zijn eigene dochter, meenende dat gene haar het meest zou volgen. Toen zij gekomen was en zeide: „ oknaap, wilt gij dan dat de heerschappij op anderen komt en het huis van uw vader uiteenvalt, liever, dan dat gij terugkeert en ze neemt? Keer weder naar huis, en houd op u zelf te straffen. Een ijdel goed is trotschheid. Heel niet het kwaad met een kwaad. Velen verkiezen het zachtere boven het strengere recht; velen ook reeds hun moederlijk recht zoekende verloren hun vaderlijk deel. Een zwak ding is de heerschappij; velen zijn er, die ze begeeren, gene is reeds een grijsaard en voorbij de kracht zijns levens: geef niet aan anderen uw goed."

Zij nu sprak de meest overredende dingen tot hem, door haar vader onderricht, doch hij zeide tot antwoord nimmer naar Corinthe te zullen komen, zoolang hij wist, dat zijn vader nog leefde. Toen zij dat overgebracht had, zond Periander voor de derde maal een bode: hij wilde zelf naar Cercyra gaan, doch gene, verzocht hij, zou naar Corinthe komen en opvolger in de heerschappij worden. Toen de jongeling daarin toestemde, rustte Periander zich uit voor Cercyra, en zijn zoon voor Corinthe. Doch de Cercyraeërs vernamen dat alles, en opdat Periander niet in hun land zou komen, doodden zij den jongeling. En daarom wilde Periander zich op de Cercyraeërs wreken.