Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/284

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

54. Toen de Lacedaemoniërs met een groote macht gekomen waren, belegerden zij Samos. Zij grepen de muur aan en beklommen den toren, die bij de voorstad aan de zee staat; doch daarna, toen Polycrates zelf met veel volk toeschoot, werden zij weder verjaagd. Bij den hooger gelegen toren echter op den rug van den berg deden de huurlingen en velen der Samiërs zelven een uitval, doch zij hielden het korten tijd uit tegen de Lacedaemoniërs en vluchtten terug; en genen volgden en doodden.

55. Indien nu de Lacedaemoniërs daar op dien dag gelijk geweest waren aan Archias en Lycopas, ware Samos genomen geworden. Want Archias en Lycopas alleen met de vluchtelingen in de stad gevallen en afgesloten van den weg terug, kwamen om in de stad der Samiërs. Den in het derde geslacht uit dezen Archias gesprotenen anderen Archias, zoon van Samius. Archias' zoon, dezen ontmoette ik zelf in Pitane (want hij was van dien wijk), en hij eerde van alle vreemdelingen de Samiërs het meest, en hij zeide, dat aan zijn vader de naam Samius was gegeven, daar diens vader Archias in Samos als een held was gestorven. De Samiërs zeide hij te eeren, wijl zijn grootvader op staatskosten door de Samiërs begraven was.

56. Doch de Lacedaemoniërs, toen zij veertig dagen Samos belegerd hadden, zonder dat de onderneming iets verder kwam, keerden terug naar den Peloponnesus. En naar een minder waarschijnlijk verhaal, dat zich verspreid heeft, had Polycrates een menigte inlandsch geld uit lood laten slaan en vergulden, en dat hun gegeven, en zij hadden het aangenomen en zoo dan waren zij weggegaan. Dit was de eerste tocht, dien de Lacedaemonische Doriërs naar Azië maakten.