57. De Samiërs, die tegen Polycrates waren opgetrokken, voeren, toen de Lacedaemoniërs hen achterlaten wilden, ook zelf weg naar Siphnus. Want zij hadden geld noodig en de zaken der Siphniërs bloeiden in dien tijd, en zij waren het rijkst van de eilanders, daar zij in het eiland mijnen van goud en van zilver hadden, zoodat zij van het tiende der daaruit gekomen gelden te Delphi een schat wijdden, niet minder dan den rijkste; de opbrengst van ieder jaar verdeelden zij onder allen. Toen zij nu dien schat wijdden, vroegen zij het orakel of hun tegenwoordig geluk volgens den wil der goden nog veel tijd zou blijven, en de Pythia antwoordde hun het volgende:
Wit van zand ook de markt, voorwaar dan betaamt het den schrandren
Wakend te zijn voor de houtene schare en den rooden verkonder.
De Siphniërs namelijk hadden toen de markt en het raadhuis met parischen steen versierd.
58. Dit antwoord waren zij niet bij machte te verstaan, noch toen dadelijk, noch toen de Samiërs waren aangekomen. Want zoodra de Samiërs bij Siphnus aangelegd hadden, zonden zij een der schepen met gezanten naar de stad. Oudtijds nu waren alle schepen met menie bestreken, en dat was het, dat de Pythia den Samiërs had aangezegd, hen bevelende zich te hoeden voor de houten schare en den rooden verkonder. De boden nu, aangekomen, vroegen de Siphniërs hun tien talenten te leenen, en toen de Siphniërs weigerden hun te leenen, verwoestten de Samiërs hun velden. De Siphniërs vernamen dit, schoten terstond toe, en met genen in gevecht