geraakt, werden zij overwonnen, en velen van hen werden door de Samiërs van de stad afgesloten, en honderd talenten dwongen genen hun daarna af.
59. Van de Hermioniërs kregen zij voor geld het eiland Hydrea bij den Peloponnesus en stelden dat onder de hoede van de Troezeniërs; zelf echter grondden zij Cydonia op Creta, niet daarom juist er heen gevaren, doch om de Zacynthiërs uit het eiland te verdrijven. Vijf jaren bleven zij daar en waren in welstand, zoodat zij het zijn, die de nu in Cydonia aanwezige tempels bouwden en den tempel van Dictyna. In het zesde jaar overwonnen hen de Aegineten met de Creters in een zeeslag en maakten hen tot slaven, en de snavels der schepen, in den vorm van een zwijn, die hieuwen zij af en wijdden ze in den tempel van Athenaia in Aegina. Dit deden de Aegineten uit wrok tegen de Samiërs. Want vroeger, toen Amphicrates in Samos koning was, waren de Samiërs tegen Aegina uitgetrokken en hadden de Aegineten veel kwaad gedaan en veel ook van hen geleden. Deze nu was de reden.
60. Ik heb langer over de Samiërs gesproken, omdat drie van de grootste werken bij alle Hellenen door hen zijn uitgevoerd. Vooreerst door een berg heen, honderd en vijftig vademen hoog, daardoorheen, van onderen beginnende, een koker met twee monden. De lengte van dien koker is zeven stadiën, hoogte en breedte ieder acht voeten. Over zijn geheele lengte is een andere koker er onder gegraven, twintig ellen diep, en drie voet in lengte, door welken het water, stroomend door pijpen, uit een groote bron in de stad komt. De bouwmeester van dit graafwerk was de Megareër Eupalinus, zoon van Naustrophus. Dit nu is een van de drie; het tweede werk is een dam om den haven bij de zee, wel twintig vademen diep; de