bracht, dien ik u opdroeg?" Gene antwoordde: „o heer, dat is niet waar, dat uw broeder Smerdis tegen u is opgestaan, noch dat u uit dien man eenige strijd zal komen, noch groot noch klein. Want ik zelf, doende wat gij mij bevaalt, heb hem met mijn eigen handen begraven. Indien nu de dooden opstaan kunnen, verwacht dan ook, dat Astyages, de Meed, weder op zal staan; is het echter zooals vroeger, dan zal nimmer uit dien man iets kwaads voor u groeien. Nu echter meen ik, dat wij den heraut moeten laten achterhalen en hem onderzoeken en uitvragen, van wien komende hij ons beveelt koning Smerdis te gehoorzamen. "
63. Dit zeide Prexaspes, en daar het Cambyses beviel, werd de heraut terstond achterhaald en hij kwam. En bij zijn komst vroeg Prexaspes hem het volgende. „ o Mensch, gij beweert toch als bode te komen van Smerdis, zoon van Cyrus; nu dan zeg de waarheid en ga ongedeerd heen, of Smerdis zelf voor uw oogen getreden u dat opgedragen heeft, of iemand van zijn dienstbaren. " Gene zeide: „ ik heb Smerdis, den zoon van Cyrus, sinds koning Cambyses naar Egypte getrokken is, nimmer gezien. Doch de Magiër, dien Cambyses als bewaker van zijn huis heeft aangesteld, deze beval mij dit, zeggende dat het Smerdis. Cyrus' zoon, was, die opdroeg dit tot u lieden te zeggen."
Hij nu zeide hun dit, en bedroog niets, doch Cambyses sprak: „Prexaspes, als een braaf man verrichttet gij het bevolene, en zijt de schuld ontvlucht; doch welk man der Perzen zou de opstandeling wezen, die zich den naam van Smerdis aanmatigt?" En gene antwoordde: „ik meen het geschiede te begrijpen, o koning; de Magiërs zijn de opgestanen. Patizeithes, dien ge als verzorger van uw huis achterliet, en diens broeder Smerdis."
64. En terstond als Cambyses den naam van Smerdis