hoorde, sloeg hem de waarheid der woorden en van den droom, daar hij in den droom gemeend had[1], dat iemand hem boodschapte, hoe Smerdis op den koninklijken troon gezeten met het hoofd den hemel beroerde. En inziend, dat hij om niet zijn broeder gedood had, beweende hij Smerdis luid. En toen hij geweend had en gejammerd over het gansche onheil, sprong hij te paard, van zins ten spoedigste naar Susa tegen den Magiër op te trekken. En bij het te paard springen viel de knop der schede van zijn zwaard af, en het ontbloote zwaard trof de heup. Gewond op de zelfde plaats, waar hij vroeger den god der Egyptenaars Apis getroffen had, vroeg hij, daar hij door een ernstigen stoot meende gewond te zijn, welke de naam der stad was. En zij zeiden Agbatana. Doch hem was vroeger uit de stad Buto[2] voorspeld, dat hij in Agbatana zijn leven zou eindigen. Hij nu had gemeend als grijzaard in het Medische Agbatana te zullen sterven, waar al zijn macht was, doch het orakel bedoelde Agbatana in Syrië derhalve. En toen hij dan op zijn vragen den naam der stad vernomen had, getroffen door den ramp uit den Magiër en zijn wond, kwam hij bij zinnen, en het orakel begrijpend, zeide hij: „dáár is het Cambyses, den zoon van Cyrus, beschoren te sterven."
65. Toen nu zeide hij slechts zooveel. Doch ongeveer twintig dagen later ontbood hij de aanzienlijksten der aanwezige Perzen en sprak tot hen het volgende: O Perzen, mijn onheil dwingt mij, wat ik het meest van alle zaken verborgen heb, dat u te openbaren. Ik toch in Egypte zijnde, zag een gezicht in den slaap, — dat ik nimmer gezien mocht hebben! —: want een bode, docht mij, kwam mij uit huis melden, dat Smerdis op den konink-