zijnde in getal vijftig en twee honderd en zeven duizend en tweemaal tien duizend, brengt de eene van hen voortdurend geen enkele zaak aan gelijk aan den anderen. Zóó dus, o Cresus, is de mensch geheel toeval. Gij blijkt mij zeer rijk te wezen, en koning van veel menschen; doch dat, wat ge mij vroegt, noem ik u geenszins, voor ik verneem, dat gij schoon uw leven geëindigd hebt. Want niet voorwaar is de zeer rijke gelukkiger dan die voor den dag heeft, indien hem niet het lot geworde, bij behoud van al het goede schoon zijn leven te eindigen. Want vele zeer rijken der menschen zijn niet gelukkig, velen daarentegen, matig van vermogen, voorspoedig. De zeer rijke nu, doch ongelukkige, overtreft in twee zaken enkel den voorspoedigen, doch deze den rijken en ongelukkigen in vele. De eerste kan beter zijn begeerte bevredigen en een groot onheil, als het hem treft, dragen; doch hierin overtreft hij de ander: in het dragen van onheil en lust is die ander wel niet even sterk als de eerste, doch zijn voorspoed behoedt hem voor die dingen; flink is hij van leden, zonder ziekte, vrij van rampen, met schoone kinderen en schoon van uiterlijk. Indien hij daarbij nog zijn leven goed zal eindigen, dan is hij die, welken gij zoekt: die waardig is gelukkig te heeten; voor hij evenwel gestorven is, onthoud u en noem hem geenszins gelukkig, doch voorspoedig. Dit alles nu te zamen te bezitten is voor een mensch onmogelijk, gelijk geen enkel land in staat is alles voor zich zelve voort te brengen, doch het eene heeft het, het mist het andere; wat echter het meeste bezit, dat is het beste. Zoo ook is geen enkel menschelijk lichaam zich zelf voldoende: want dàt heeft het, iets anders ontbreekt er aan. Doch die het meeste van die dingen bezit en zoo leeft en daarna goedsmoeds zijn leven
Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/29
Uiterlijk