lijken troon gezeten met het hoofd den hemel raakte. In vrees nu, dat ik door mijn broeder het rijk verliezen zou, handelde ik meer snel dan verstandig: want het was gewis niet in den aard des menschen het komende af te wenden, doch ik dwaze zond Prexaspes naar Susa om Smerdis te dooden. Toen de zware misdaad volbracht was, leefde ik onbevreesd, geenszins overwegende, dat een ander der menschen na de verwijdering van Smerdis tegen mij op zou staan. Doch ganschlijk dwalende in wat geschieden zou, ben ik broedermoorder, zonder noodzaak, en toch niets minder van de heerschappij beroofd; want Smerdis de Magiër was het, dien de godheid mij in het droomgezicht als opstandeling toonde. De daad nu is gedaan, en gij, rekent Smerdis, den zoon van Cyrus, niet meer tot de uwen; de Magiërs echter zijn u meesters van de heerschappij, hij, dien ik als verzorger van mijn huis achter liet en diens broeder Smerdis. Hij nu, die het eerst mij, den door de Magiërs zoo schandelijk behandelde, wreken moest, deze is op goddelooze wijze omgekomen door zijn naaste verwanten; en nu gene er niet meer is, is het verder zeer noodzakelijk voor mij, u, o Perzen, op te dragen, wat ik wil dat na mijn dood zal geschieden. En dit daarom vermaan ik, de koninklijke goden aanroepend, en aan u allen èn vooral aan de Achaemeniden hier, niet te dulden, dat de heerschappij weder op de Meden[1] overgaat, doch indien genen door list haar verworven hebben, vermaan ik, dat zij door list weder door u ontnomen wordt; indien zij door eenig geweld haar hebben veroverd, redt haar dan door geweld met alle kracht terug. En als gij zóó doet, moge de aarde u vrucht dragen en uw vrouwen en uw kudden baren, en
- ↑ De Magiërs waren de voornaamste stam van de Meden.