Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/291

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

voor allen tijd zult gij vrij zijn; redt gij de heerschappij niet weder, noch beproeft gij haar te redden, dan wensch ik dat het tegendeel daarvan u moge geworden, en daarbij nog dat aan ieder der Perzen het einde moge komen, dat mij gekomen is." En dit zeggende beklaagde Cambyses geheel zijn eigen lot. 66. Toen de Perzen den koning zagen weenen, scheurden zij, wat zij voor kleederen aan zich hadden, dat scheurden zij stuk, en verhieven overvloedige klachten. Daarop, toen het been aangegrepen werd en de heup spoedig ging rotten, droeg de kwaal Cambyses weg, den zoon van Cyrus, die in 't geheel zeven jaren en vijf maanden geheerscht had, en gansch zonder eenig kind was van manlijk of vrouwlijk geslacht. Doch bij de aanwezige Perzen was veel argwaan ingedrongen, dat de Magiërs de macht niet zouden hebben, doch zij geloofden, dat Cambyses uit belastering gezegd had, wat hij over Smerdis' dood had gezegd, opdat gansch het Perzische volk vijandig tegen genen zou wezen. Zij geloofden dan, dat Smerdis. Cyrus' zoon, koning was geworden. Want ook Prexaspes loochende heftig, dat hij Smerdis gedood had; want niet was het na Cambyses' dood veilig voor hem te beweren, dat hij den zoon van Cyrus met eigen hand had verdorven.

67. De Magiër dan was na Cambyses' dood zonder vrees koning, steunende op zijn naamgenoot Smerdis, den zoon van Cyrus, gedurende de zeven maanden die nog na Cambyses ter aanvulling van het achtste jaar overig waren; daarin bewees hij al zijn onderdanen groote weldaden, zoodat bij zijn dood allen grooten smart om hem hadden, behalve de Perzen. Want de Magiër zond boden naar elk der volken, waarover hij heerschte, en kondigde voor drie jaren vrijdom van dienstplichtigheid en belasting aan.