Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/295

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

rius antwoordde met het volgende: „ Otanes, waarlijk, veel is er, dat men met het woord niet kan verklaren, doch door de daad, en andere dingen zijn er, die men door het woord kan bewijzen, doch geen enkele luisterrijke daad komt uit hen. Doch gij lieden weet, dat het geenszins moeilijk is de geplaatste wachters voorbij te gaan. Want vooreerst, daar wij van zulk een aanzien zijn, is er niemand, die ons niet voorbij zal laten, deels uit eerbied voor ons, deels ook uit vrees; ten tweede heb ik zelf het schoonste voorwendsel, waaronder wij voorbij kunnen gaan, bewerende, dat ik zooeven van Perzië kom en een woord van mijn vader aan den koning wil overbrengen. Want waar een leugen moet gezegd worden, men zegge ze. Want naar hetzelfde streven wij, zij die liegen en zij die de waarheid spreken. Want de eersten liegen dan, als zij door hun bedrog kunnende overtuigen winst zullen hebben; genen spreken waarheid, opdat zij door de waarheid winst verwerven en men hun meer vertrouwen schenkt. Zoo dan, niet het zelfde betrachtende, streven wij naar het zelfde. Indien zij geen voordeel zouden hebben, even goed zou dan de waarheidspreker leugenaar zijn, en de leugenaar waarheidspreker. Wie nu van de poortwachters ons vrijwillig voorbij laat, dien zal het in de toekomst wel gaan; doch die tracht ons tegen te treden, die worde ook daar als vijand beschouwd, en dan naar binnen gedrongen komen wij tot de daad."

73. Hierop zeide Gobryas: „mannen vrienden, wanneer zal ons een schoonere gelegenheid komen om de heerschappij terug te redden, of, indien wij haar niet zullen kunnen winnen, te sterven? Daar wij toch. Perzen zijnde, beheerscht worden door een Meed, een Magiër, en dien nog zonder ooren. Zoovelen van u bij Cambyses' ziekte waren, herinnert u toch goed wat hij, op het einde van zijn leven