van Cyrus op; daarna, toen hij ten slotte bij dezen gekomen was, verhaalde hij hoeveel goeds Cyrus de Perzen had aangedaan, en dat verhaald hebbend openbaarde hij de waarheid, zeggende ze vroeger verborgen te hebben (want hij kon niet in veiligheid het ware zeggen), doch dat thans de noodzakelijkheid hem drong ze te openbaren. En hij zeide ook, dat hij zelf, door Cambyses gedwongen. Smerdis. Cyrus' zoon, gedood had, en dat de Magiërs heerschten. En de Perzen veel verwenschende, indien zij de heerschappij niet zouden terugwinnen en op de Magiërs zich wreken, wierp hij zich zelf, het hoofd omlaag, van den toren naar beneden. Prexaspes nu, al den tijd zijns levens een achtenswaardig man, kwam zoo aan zijn einde.
76. De zeven Perzen nu, toen zij besloten hadden terstond de Magiërs aan te vallen en niet uit te stellen, gingen, na gebed tot de goden, niets wetende van wat met Prexaspes was geschied. En zij waren in hun gang halverwege gekomen en vernamen wat met Prexaspes gebeurd was. Toen gingen zij van den weg en spraken wederom met elkander, en de aanhangers van Otanes drongen sterk aan uit te stellen, doch Darius en de zijnen drongen om terstond te gaan en het beslotene zonder uitstel te volvoeren. Terwijl zij twistten verschenen zeven paren havikken, die twee paar gieren najoegen en plukten en verscheurden. En de zeven dit ziende keurden allen de meening van Darius goed en in vertrouwen op de vogels trokken zij naar het paleis. En bij de poort gekomen, geschiedde hun wat Darius verwacht had; want de wachters, in eerbied voor de eerste mannen der Perzen en niet verwachtend, dat zoo iets door hen gebeuren zou, lieten hen voorbij door goddelijke beschikking, noch vroeg iemand iets. Toen zij ook in den voorhof waren gekomen, stieten zij op de gesnedenen, die boodschappen brengen; dezen vroegen wat zij