hoofden afgehouwen, lieten zij hun gewonden daar achter èn om hun zwakte en tot bewaking van de burcht; doch de vijf van hen, de hoofden der Magiërs dragend, liepen met geschreeuw en geraas rond en riepen de andere Perzen er bij, en verklaarden de zaak en toonden de hoofden, en tevens doodden zij iederen Magiër, die hun in den weg kwam. De Perzen, vernemend wat door de zeven geschied was en het bedrog van de Magiërs, besloten ook zelf hetzelfde te doen: zij trokken hun dolken en doodden, waar zij een Magiër vonden. En indien de nacht niet was gevallen en hen weerhouden had, zouden zij geen enkelen Magiër overgelaten hebben. Dien dag vieren de Perzen onder elkander het meest der dagen, en zij vieren daarop een groot feest, dat door de Perzen de Magiër-moord genoemd wordt; daarbij mag geen enkele Magiër aan den dag komen, doch de Magiërs houden zich dien dag in hun huis.
80. Toen de verwarring was bedaard en vijf dagen waren voorbijgegaan, beraadslaagden de tegen de Magiërs opgestanen over den ganschen toestand, en redenen werden gesproken, ongeloofwaardig voor sommigen der Hellenen, maar toch werden zij gesproken. Otanes nu ried de heerschappij aan het perzische volk te geven, het volgende zeggende: „mij schijnt het, dat geen van ons alleenheerscher moet worden; want noch is dat aangenaam, noch goed. Want gij weet, hoe ver de overmoed van Cambyses is gegaan, en gij ondervondt ook den overmoed van den Magiër. En hoe zou de alleenheerschappij een wel ingerichte zaak zijn, waarin men zonder verantwoording doen kan, wat men wil? Want zelfs den besten man, die tot zulk een heerschappij geraakt, zou zij tot andere dan de gewone opvattingen brengen. Want overmoed wordt in hem geboren door zijn macht over zoo veel