Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/300

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

goederen, de nijd echter is reeds van den aanvang den mensch ingeplant. Door die beide heeft hij tevens alle slechtheid; want vele en goddelooze daden verricht hij in zatheid door overmoed, andere weder uit nijd. Zeker moest een alleenheerschend man zonder nijd zijn, daar hij al het goede heeft, doch het tegendeel daarvan pleegt hij tegen zijn medeburgers te wezen: want hij benijdt de aanzienlijksten daar zij behouden leven, in de geringsten des volks verheugt hij zich, en zeer gaarne neemt hij lasteringen aan. Het onverdraaglijkst is hij van allen; want als ge hem matig bewondert, toornt hij, dat hij niet goed gediend wordt; indien iemand hem sterk dient, toornt hij als op een vleier. En het grootste zal ik nu zeggen: hij verstoort de vaderlijke zeden, doet de vrouwen geweld aan, en doodt zonder recht te doen. Als daarentegen de menigte heerscht, heeft haar bestuur vooreerst den schoonsten van alle namen, gelijkheid van rechten; vervolgens doet zij niets van wat de alleenheerscher doet; zij deelt de ambten uit door het lot, houdt ieder ambt onder verantwoording, en brengt alle besluiten voor het volk. Ik geef dus mijn meening, dat wij de alleenheerschappij moeten laten varen en aan de menigte de macht geven: want in het volk is alles."

81. Otanes dan droeg deze meening voor, doch Megabyzus ried de heerschappij aan weinigen op te dragen, het volgende zeggende: „wat Otanes gezegd heeft om de alleenheerschappij te staken, dat moge ook ik gezegd hebben; doch als hij de macht aan de menigte overdragen wil, heeft hij de beste meening gemist, want niets is onverstandiger noch overmoediger dan een onnutte menigte. Ook dat mannen, aan den overmoed eens alleenheerschers ontvlucht, in den overmoed van een teugelloos volk zouden vallen, is niet te dulden. Want gene, als hij iets