Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/302

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de openbare zaak gedrongen, dan komen geen vijandigheden onder de slechten, doch sterke vriendschappen; want die kwaad doen aan het gemeene wel, doen dat in samenwerking. Dat gaat zoo verder, totdat een uit het volk opstaat, en de zoodanigen tegenhoudt. En daardoor wordt hij dan bewonderd door het volk, en zoo bewonderd wordt hij dan alleenheerscher. En zoo toont ook deze daarin, dat de alleenheerschappij de beste is. Doch in één woord kan men alles samenvatten en zeggen: vanwaar is onze vrijheid gekomen, en wie gaf ze? Kwam zij van het volk of van weinigen of van een alleenheerscher? Ik ben daarom van meening, dat wij, vrijgemaakt door één man, daaraan ons houden moeten, en bovendien niet de zeden onzer vaderen breken, die goed zijn; want dat bekwame ons slecht."

83. Deze drie meeningen dan werden voorgedragen, doch de vier andere der zeven mannen voegden zich bij de laatste. Toen Otanes, die allen Perzen gelijke macht wilde geven, in zijn meening overwonnen was, sprak hij in hun midden het volgende: „mannen saamgezworenen, duidelijk is, dat één van ons koning moet worden, hetzij door het lot gekozen, hetzij doordat wij het aan het Perzische volk overlaten, wien dit kiezen wil, hetzij door eenig ander middel. Ik nu zal niet met u dingen; want ik wil noch heerschen noch beheerscht worden; op diè voorwaarde nu zie ik van de regeering af, dat ik door geen van u beheerscht zal worden, noch ik zelf noch ooit de uit mij nagekomenen." Toen hij dit gezegd had en de zes hem dat op die voorwaarde hadden toegestaan, dong gene niet meer mede, doch trad uit hun kring, en nu nog is dat geslacht het eenige vrije in Perzië en heerscht zooveel hetzelf wil, zonder de wetten der Perzen te overschrijden.