Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/304

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

den dag onze strijd geschieden zal." Oebares hoorde dit en deed het volgende. Toen de nacht gekomen was, nam hij van de merries de eene, die de hengst van Darius het meest liefhad, en die bracht hij naar de voorstad en bond haar vast en hij bracht den hengst van Darius er bij, en eerst leidde hij hem dikwijls dicht bij de merrie om haar heen, dan nader bij haar, en eindelijk liet hij hem de merrie bespringen.

86. Zoodra de dag was aangebroken, waren de zes, volgens hun afspraak, op hun paarden aanwezig; en toen zij verder reden door de voorstad, en zij bij de plaats kwamen, waar in de verstreken nacht de merrie was vastgebonden, toen liep het paard van Darius naar voren en hinnikte: en tegelijk dat het paard dat deed, kwam uit den hemel bliksem en donder. Deze zaken gaven aan Darius een wijding, alsof zij volgens een afspraak der goden geschiedden, en de anderen sprongen van hun paarden en knielden voor Darius.

87. Sommigen nu zeggen, dat Oebares dit uitgedacht heeft, anderen echter het volgende (want tweeërlei wordt de zaak door de Perzen verhaald), dat hij de schaamdeelen van die merrie met de hand aanraakte en toen die hand in zijn broek verborg; toen nu de paarden met zonsopgang zouden weggaan, toen nam die Oebares zijn hand te voorschijn en hield ze aan de neusgaten van Darius' hengst, en deze bemerkte dat, snoof heftig en hinnikte.

88. Darius, de zoon van Hystaspes, werd dus zoo als koning aangesteld, en in Azië waren, behalve de Arabieren, allen zijn onderdanen, daar Cyrus hen onderworpen had en later weder Cambyses. De Arabieren waren geenszins aan de Perzen onderworpen, doch zij waren gastvrienden, daar zij Cambyses tegen Egypte hadden