babylonische talent geldt achtenzeventig eubeesche minen. Want onder de regeering van Cyrus en later van Cambyses, was niets bepaald over een schatting, doch de volken gaven geschenken. Om deze regeling van de belasting en andere diergelijke dingen zeggen de Perzen, dat Darius een kramer was. Cambyses een gebieder en Cyrus een vader; de eerste wijl hij alle zaken als een koopman behandelde, de ander wijl hij hard was en om niets gaf, de laatste daar hij zachtaardig was en alles goeds voor hen uitdacht.
90. Van de Ioniërs en de in Azië wonende Magneters, en de Aeoliërs, de Cariërs, de Lyciërs, de Milyers en de Pamphyliërs (want dezen te samen was één belasting opgelegd) kwamen vierhonderd talenten zilver in. Dit nu was het eerste gewest; van de Mysiërs en de Lydiërs en de Lasoniërs en de Cabyliërs en Hytenniërs vijfhonderd talenten; dit was het tweede gewest. Van de Hellespontiërs aan de rechterhand bij het invaren[1], en de Phrygiërs en de Thraciërs, die in Azië, en de Paphlagoniërs en de Mariandyniërs en de Syriërs was de schatting driehonderd en zestig talenten; dit was het derde gewest. Van de Ciliciërs driehonderd-en-zestig witte paarden, voor iederen dag één, en vijfhonderd talenten zilver; daarvan werden honderd en veertig besteed voor de ruiterij, die in Cilicië geplaatst was, de andere driehonderd en zestig kwamen aan Darius; dit was het vierde gewest.
91. Van de stad Posideüm, die Amphilochus, de zoon van Amphiaraüs, stichtte aan de grenzen van Cilicië en
- ↑ d. i. aan de aziatische kust.
eenkwamen; in den tijd van Herodotus was echter de attische of eubeesche mine een weinig gestegen, zoodat acht en zeventig attische minen gelijk kwamen met zestig babylonische minen.