Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/308

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de koning de dusgeheetene losgerukten[1] zendt, van die allen kwamen zeshonderd talenten schatting; dit was het veertiende gewest. De Sacers en de Caspiërs brachten tweehonderd en vijftig talenten; dit was het vijftiende gewest. De Parthen en de Chorasmiërs en de Sogden en de Areërs driehonderd talenten; dit was het zestiende gewest.

94. De Paricaniërs en de aziatische Ethiopiërs brachten vierhonderd talenten op; dit was het zeventiende gewest. Den Matiëners en den Saspiren en den Alarodiërs werden tweehonderd talenten opgelegd; dit was het achttiende gewest. Den Moschen en den Tibareners en den Mossynoecen en den Marden werden driehonderd talenten voorgeschreven; dit was het negentiende gewest. De menigte der Indiërs is verreweg de grootste van alle menschen, van wie wij weten, en zij brachten in vergelijking met alle anderen de grootste schatting op, driehonderd en zestig talenten goudstof; dit was het twintigste gewest.

95. Het babylonische zilver met het eubeesche talent gemeten komt op negenduizend en achthonderd en tachtig talenten; rekent men het goud dertienmaal meer waard, dan vindt men het goudstof op vierduizend en zeshonderd en tachtig eubeesche talenten. Wordt dit alles te samengesteld, dan bedroeg de geheele jaarlijksche schatting voor Darius in eubeesche talenten veertienduizend en vijfhonderd en zestig; wat minder is dan die laatste zestig ga ik voorbij zonder het te noemen[2].

96. Deze schatting gewerd Darius uit Azië en een klein deel van Libye. Na verloop van tijd kwam ook van de eilanden een andere schatting, en van die in Europa woonden tot aan Thessalië. Deze schatting bewaart de koning op de volgende wijze. Hij laat alles smelten en in aar-

  1. d, i, verbannenen.
  2. De bedoeling van deze opmerking is niet duidelijk.