zich naar de opgaande zon uitstrekt, is woestijn. Want van de menschen, die wij weten, en over wie iets bepaalds gezegd wordt, wonen de Indiërs het eerst van alle menschen in Azië bij den dageraad en den zonsopgang. Want wat achter de Indiërs naar den dageraad ligt is een woestijn door het zand. Er zijn vele volken van de Indiërs en niet van dezelfde taal, en sommige zijn zwervend, andere niet, andere weer wonen in de moerassen der rivier en leven van rauwe visschen, die zij vangen, in rieten vaartuigen ze jagende. Eén lid van dit riet maakt een boot. Deze Indiërs nu dragen een gewaad van biezen; wanneer zij biezen uit de rivier getrokken en geklopt hebben, dan vlechten zij ze samen als een mat en trekken dien aan als een pantser.
99. De andere Indiërs, die verder naar den dageraad wonen dan genen, zijn zwervend, en eten rauw vleesch. Zij heeten Padaeërs, en hebben, naar men zegt, de volgende zeden. Als iemand van hun medeburgers ziek wordt, 't zij het een vrouw is, 't zij een man, dien man dooden de mannen, die het meest met hem verkeeren, bewerende dat, terwijl de ziekte hem verteert, zijn vleesch voor hen verloren gaat; en hij ontkent wel ziek te wezen, doch de anderen geven dat niet toe, en dooden hem en eten hem feestelijk op. Is het een vrouw, die ziek wordt, dan doen evenzoo de meest bevriende vrouwen het zelfde als de mannen. Wie oud geworden is, dien offeren zij en feesten van hem. Doch zoover komen niet velen van hen, want vóór dien tijd dooden zij een ieder, die in een ziekte geraakt.
100. De volgende is de andere aard van andere Indiërs. Zij dooden niets levends, noch zaaien zij iets, noch plegen zij huizen te bewonen, doch kruiden eten zij, en er groeit bij hen iets, in grootte zooals gierst, in