Naar inhoud springen

Pagina:Herodotus, Muzen I (vert. v.Deventer 1893).pdf/312

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

na de geboorte. Want hun kameelen zijn niet minder dan de paarden in snelheid, doch daarenboven veel krachtiger om lasten te dragen.

103. Het uiterlijk nu, hoedanig de kameel er een heeft, beschrijf ik niet voor de Hellenen, daar die het weten; doch wat niet van hem geweten wordt, dat zal ik zeggen. De kameel heeft aan de achterpooten vier dijen en vier knieën, en de schaamdeelen zijn tusschen de achterpooten door naar den staart gewend. 104. Op zulk een wijze dan en met zulke spannen toegerust trekken de Indiërs naar het goud, rekening houdende daarmede, dat zij, als de hitte het grootst is, aan het rooven kunnen gaan; want gedurende de hitte verbergen de mieren zich onder de aarde. En voor die menschen is de zon het heetste in den morgen, niet zooals bij de andere menschen des middags, doch van den opgang tot het opbreken van den markt.[1] In dien tijd brandt zij veel heviger dan in Hellas des middags, zóó dat zij dan, naar men zegt, zich om dien tijd baden. Het midden van den dag brandt de andere menschen bijna evenzeer als de Indiërs; neigt zich dan de middagzon, dan wordt de zon voor hen evenals voor de anderen de ochtendzon, en na dien tijd weggaande verkoelt zij meer en meer, tot zij bij het ondergaan gekomen eerst recht verkoelt.

105. Wanneer de Indiërs met zakken bij de plaats gekomen zijn, vullen zij die met het zand en trekken ten spoedigste weder weg; want de mieren bemerken hen terstond door de reuk, zooals door de Perzen gezegd wordt, en jagen hen na. In snelheid nu zijn zij gelijk aan geen ander dier, zoodat, indien de Indiërs niet een stuk

  1. Verg. II. 173.