die de Pheniciërs naar de Hellenen aanvoeren; deze verbrandende winnen zij den wierook; want die boomen, de wierookdragenden, worden bewaakt door gevleugelde slangen, klein van afmeting, bont van uiterlijk, velen in getal bij iederen boom; deze zijn het ook, die naar Egypte trekken.[1] En zij worden door niets anders van de boomen verjaagd, dan door den rook der styrax.
108. De Arabieren zeggen ook dit, dat de gansche aarde van die slangen vol zou wezen, indien niet met hen geschiedde, wat ik wist, dat ook met de adders gebeurt. Voorzeker, de zorg van het godlijke, — zooals ook natuurlijk is, daar zij wijs is, — maakte, zoovele dieren laf van ziel zijn en eetbaar, die allen rijk aan kroost, opdat zij niet verdwijnen door opgegeten te worden; doch zoovelen vreeslijk zijn van kracht en schadelijk, weinig vruchtbaar. Aan ééne zijde nu, daar de haas door ieder wild dier gejaagd wordt en vogel en mensch, is hij dan zóó vruchtbaar: als het eenige onder alle dieren draagt het meer dan één dracht tegelijk; en zoo is het eene jong in den buik behaard, het andere naakt, het derde juist in de baarmoeder gevormd, het vierde eerst ontvangen. Aan die zijde is nu het zoo; doch de leeuwin, die zeer sterk en dapper is, baart slechts eenmaal in haar leven één jong, want barende werpt zij met het jong ook de baarmoeder uit. De oorzaak daarvan is deze: wanneer de welp, in de baarmoeder zijnde, begint zich te bewegen, verscheurt hij met de nagels, veel scherper dan van andere dieren, de baarmoeder; en naarmate hij groeit, gaat hij steeds meer met krabbelen voort; eindelijk is de geboorte nabij, en er is in 't geheel niets meer gezond van de baarmoeder overgebleven.
- ↑ Verg. II. 75.