109. Zoo ook de adders en de gevleugelde slangen in Arabië, indien deze volgens hun natuur[1] geteeld werden, dan was het voor de menschen niet mogelijk om te leven. Nu echter, wanneer zij samen paren en het mannetje met de teling zelf bezig is, grijpt het wijfje hem in den nek, daar hij het zaad loslaat, en hem bijtende, laat zij hem niet los, voor zij hem doorgevreten heeft. Het mannetje nu sterft op de gezegde wijze, doch het wijfje geeft de volgende boete voor het mannetje. Om den vader te wreken, vreten de jongen nog in den buik zijnde door de moeder heen, en haar lijf doorvretende maken zij zoo den uitweg. De andere slangen, die niet schadelijk voor de menschen zijn, leggen eieren en broeden een groot getal van jongen uit. De adders nu zijn over de gansche aarde, doch die andere, de gevleugelde, zijn talrijk in Arabië en nergens anders, en daarom schijnen zij zoo groot in getal te zijn.
110. Dien wierook dan winnen de Arabieren aldus, doch de casia zóó. Nadat zij zich met runderhuiden en andere vellen geheel het lichaam bedekt hebben, en het gelaat behalve de oogen, gaan zij naar de casia; deze groeit in een ondiep moeras, en om haar en in haar houden zich gevleugelde dieren op, die zeer op de vleermuizen gelijken en vreeselijk schreeuwen en zich sterk te weer stellen; dezen moeten zij van de oogen afhouden en zoo snijden zij de casia af.
111. Het cinamomum verzamelen zij op nog veel zonderlinger wijze dan gene zaken. Want waar het groeit en welk het land is, dat het voortbrengt, kunnen zij niet zeggen, behalve dat sommigen met waarschijnlijkheid beweren, dat het in dezelfde streken groeit, waar Diony-
- ↑ nl. als eieren, zooals bij andere slangen geschiedt.