sus opgevoed werd. Zij verhalen, dat groote vogels die schorsrollen aandragen, die wij, naar wij van de Pheniciërs geleerd hebben, cinamomum noemen; en die vogels dragen ze naar nesten, uit leem gekneed op steile bergen, waar geen enkele toegang is voor een mensch. Daarom dan verzinnen de Arabieren de volgende list. Van doode ossen en ezels en andere lastdieren snijden zij zeer groote stukken af en brengen ze naar die plaatsen, en als zij ze dicht bij de nesten gelegd hebben, verwijderen zij zich ver daarvan. De vogels nu vliegen naar beneden en nemen de stukken van de lastdieren en brengen ze naar de nesten; dezen echter kunnen dat niet dragen en breken naar beneden op de aarde; dan komen genen aan en verzamelen. Het cinamomum wordt dan zoo verzameld en komt van daar naar de andere landen.
112. Maar het ledanum, dat de Arabieren ladanon noemen, ontstaat op nog wonderbaarlijker wijze dan dat andere; want ontstaan in het meest slecht riekende is het hoogst welriekend; want men vindt het in de baarden van geitebokken, ontstaan evenals harst aan den boom. Het is nuttig voor de meeste zalven, en de Arabieren gebruiken dat het meest voor reukwerk.
113. Zooveel zij gezegd over het reukwerk; en er komt uit het Arabische land een wonderzoete geur. Er zijn bij hen twee soorten van schapen, die bewonderenswaard zijn en nergens anders voorkomen. De eene van hen heeft lange staarten, niet kleiner dan drie ellen; wilde men hen deze laten medesleepen, dan zouden zij wonden krijgen, daar de staarten tegen de aarde schuurden; nu echter verstaat iedere herder zóóveel van de houtbewerking: zij maken toch wagentjes en binden die onder aan de staarten, terwijl zij van ieder dier den staart aan zulk een wagentje binden. De andere soort van schapen