117. Er is een vlakte in Azië, aan alle kanten omsloten door een gebergte, en er zijn vijf doorsnijdingen in het gebergte. Deze vlakte was vroeger van de Chorasmiërs, daar zij dan ook ligt in het gebied van de Chorasmiërs zelf en de Hyrcaniërs en de Parthen en de Sarangen en de Thamanaeërs, doch sinds de Perzen de macht hebben, is zij van den koning. Uit dat omsluitende gebergte nu stroomt een groote rivier; haar naam is Aces. Deze rivier bewaterde vroeger, in vijven gedeeld, de landen dier genoemde menschen, terwijl zij door iedere doorsnijding naar ieder volk stroomde. Doch sinds zij onder den Pers zijn, is hun het volgende geschied. De koning liet de doorsnijdingen der bergen dichtbouwen en plaatste een toren op iedere doorsnijding; en daar de uitgang van het water afgesloten is, is de vlakte binnen het gebergte een zee geworden, daar de rivier toestroomt, en geen enkelen uitweg heeft. Genen nu, die vroeger het water plachten te gebruiken, kunnen het niet meer gebruiken en leven in grooten nood. Want des winters zendt de god hun regen, evenals aan de andere menschen, en des zomers, als zij gerst en sesam zaaien, hebben zij gebrek aan het water. Wanneerhun nu gansch geen water gegund wordt, gaan zij met hun vrouwen naar de Perzen, plaatsen zich voor het paleis des konings en schreeuwen en huilen. Doch de koning beveelt dan voor hen, die het meest in nood zijn, de poort te openen, welke daar heen gaat. Als hun land het water drinkt en er mede verzadigd is geworden, wordt die poort weder gesloten, en hij beveelt een andere open te maken voor anderen van de overigen, die het meest in nood zijn. Naar ik van hooren weet, opent hij de poorten, veel geld afdwingende behalve de schatting.
118. Deze zaken zijn nu zoo. Van de zeven tegen