den Magiër opgestane mannen, overkwam het een van hen, Intaphrenes, terstond na den opstand om de volgende euveldaad te sterven. Hij wilde in de koninklijke burcht gaan en met den koning iets behandelen; want de wet was dan toch zóó, dat voor de opgestanen tegen den Magiër toegang tot den koning was zonder aanmelding, indien de koning niet geviel bij zijn vrouw te liggen. Daarom dan meende Intaphrenes, dat hij geenszins behoefde zich te laten aanmelden, doch daar hij van de zeven was, wilde hij naar binnen gaan. Doch de poortwachter en de boodschapbrenger duldden dit niet, zeggende, dat de koning bij een vrouw lag. En Intaphrenes, meenende dat zij logen, deed het volgende: hij trok zijn zwaard en sneed hun de ooren en de neus af, en ze aan den teugel van zijn paard hangende, bond hij hun dien om den hals en liet hen gaan.
119. Genen echter toonden zich den koning en zeide de reden, waardoor zij dat geleden hadden. En Darius, in vrees dat de zes in gemeen overleg zoo handelden,.ontbood ieder van hen en onderzocht hun gezindheid, of zij het gedane goedkeurden. Toen hij bemerkt had, dat gene niet met hen dat had gedaan, greep hij Intaphrenes zelf en zijn zoons en al zijn aanhoorigen, in de sterke meening dat hij met zijn verwanten een oproer tegen hem beraamde, en hen gegrepen hebbend, wierp hij hen in de gevangenis voor halsmisdadigers. De vrouw echter van Intaphrenes trad voor de poort des konings en weende en jammerde lang, en toen zij dat telkens weder deed, bracht zij Darius tot medelijden, en een bode zendend zeide hij het volgende: „o vrouw, koning Darius gunt het u, een der gevangene verwanten, wien gij ook wilt, van den dood te redden." Zij overwoog en antwoordde dit: „indien dan de koning mij van éénen het leven